On things and thinking:

design and
nature

How shall we interpret and design landscape/nature/world to meet the great challenges posed by climate change?
How will we create new ways of thinking for a sustainable society?

On things and thinking: design and nature provides a platform for polyphony, complementarity and crossover. Scientists, designers, artists, writers and philosophers present stories and future models in which the complexity of landscape/nature/world is (re)discovered.

Hoe zullen we landschap/natuur/wereld denken en vormgeven om tegemoet te komen aan de grote uitdagingen die de klimaatproblematiek stelt?
Hoe creëren we nieuwe denkkaders voor een duurzaam samenleven?

On things and thinking: design and nature biedt ruimte aan meerstemmigheid, complementariteit en crossover. Wetenschappers, ontwerpers, kunstenaars, schrijvers en filosofen brengen verhalen en toekomstmodellen waarin de complexiteit van landschap/natuur/wereld wordt (her)ontdekt.

Introduction
Lut Pil en Frank Maet
text
Introductie
Lut Pil en Frank Maet
tekst
De relatie tussen mens en natuur, groter dan de som der delen
Sanne Bloemink
tekst
Woekerende stadsnatuur
Lut Pil
tekst
Van wereld naar aarde
Vincent Blok
tekst
Vertaalassemblage met een open einde
Janne Van Beek
tekst
Silver nor Gold; on the Action of the Rays of the Solar Spectrum on Vegetable Juices
Tim Theo
text
rusteloos wacht ruimte in het plooien van de tijd
Bram Van Breda
tekst, beeld, video
Verschuiven naar de diepte
Lut Pil
tekst
Met elkaar spiegelende impressies
Frank Maet
tekst
Tumult
Moya De Feyter
videogedicht
Proloog op een brief aan Tireragan, land van kwade golven
Rutger Emmelkamp & Miek Zwamborn
tekst, beeld, audio
A Wooden Cube, a Mug and a Ballpoint Pen
Luca Vanello
video
A Transformational Art for a World in Transition
Mary Mattingly
text, image, ecotopian library
Primates of the sea
Eve Seuntjens
video, text
Primaten van de zee
Eve Seuntjens
tekst, video
Forêt océanique
Sarah Westphal
video
Forêt asiatique – Forêt océanique: Immersed, Entwined, Entangled
Lut Pil
text
Forêt asiatique – Forêt océanique: verstrengeling in het kwadraat
Lut Pil
tekst
Oceaan(land)schappen: horen, zien en voelen
Filip Volckaert
tekst
Mise en relation: bringing the interplay between nonhuman and human agencies to the core of theatre practice
Carl von Winckelmann
text
Bracket fungus featherwing beetles
Lut Pil
text
Vuurzwamveervleugelkevers
Lut Pil
tekst
Baranowskiella ehnstromi
Johan Robben
video
© Sarah Westphal

Forêt asiatique – Forêt océanique: verstrengeling in het kwadraat

02/07/2021

“Het brein ontstond in zee. Het werd mogelijk gemaakt door water. Alle eerste stadia vonden plaats in het water: de oorsprong van het leven, het ontstaan van dieren, de evolutie van het zenuwstelsel en de hersenen, en het ontstaan van complexe lichamen die het de moeite waard maken een brein te hebben.”[1]

Peter Godfrey-Smith

 

Decor

Forêt océanique is een artistieke reflectie over de wereld van vandaag. De installatie vertrekt vanuit het historische theaterdecor Forêt asiatique (1921) dat de invloedrijke décorateur Albert Dubosq (1863-1940) in 1921 schilderde. Dubosq ontwierp het tropische woud voor de opera Lakmé (1883) van Léo Delibes (1836-1891). Het decor – een hoogtepunt in het oeuvre van Dubosq – werd in 2018 beschermd en maakt deel uit van de Vlaamse Topstukken. Bruno Forment, die dit theatererfgoed bestudeert, beschrijft de geschilderde jungle: “De set vormt een pittoreske samenvatting van de oriëntaalse hunkeringen van de Belle Epoque. Het fonddoek toont een wazige, atmosferische aquarel van een rivieroever in het hart van het regenwoud. In twee paar uitgesneden châssis à brisure en drie terrains evolueren tropische bomen, bloemen en grassen in een palet van groen naar paars, met accenten van roze. Drie friezen met uitgesneden lianen, blad per blad uitgeknipt en bevestigd op netten, stoppen het tableau bovenaan af. Niets wordt aan de verbeelding overgelaten: elk detail, elke schaduw wordt meegeschilderd, de illusie is compleet. Lumineus en verbluffend is het, zoals de burgerij het toen wenste.”[2]

Lakmé vertelt het verhaal van een onmogelijke liefde tussen een Brits officier en Lakmé, de dochter van een Indische hindoepriester. Ook in langere samenvattingen zijn mensen de protagonisten: “We bevinden ons in het laat negentiende-eeuwse Indië. Onder druk van de Britse kolonisator belijden veel Hindoes hun godsdienst in het grootste geheim. Onder hen ook hogepriester Nilakantha en zijn dochter, Lakmé, van wie het noodlot wil dat ze verliefd wordt op een Britse officier, Gérald. Wanneer Nilakantha onraad ruikt, zet hij een val op: Lakmé moet een ‘klokkenlied’ zingen op een marktplein totdat Gérald nadert en neergestoken wordt. Ofschoon de gewonde militair door Lakmé wordt verzorgd en zo overleeft, beantwoordt hij toch de call of duty: hij vertrekt en laat zijn wanhopige geliefde achter. Lakmé kan niet leven met de schande en pleegt zelfmoord […].”[3]

 

Planten

Wanneer je bij het lezen niet focust op de menselijke handelingen, maar op de activiteit van planten, dan verschuift het decor van de marge naar het centrum. Al in het libretto, dat Edmond Gondinet en Ph. Gille schreven, krijgt de plantenwereld speelruimte, wat niet onlogisch is in een verhaal dat zich in het regenwoud afspeelt. De jungle is naast een evocatie van het oosten, het exotische en het mysterieuze, ook een concrete medespeler én tegenspeler. De decorbeschrijving bij de eerste akte maakt de omgeving al meteen dynamisch: “Een zeer schaduwrijke tuin waar alle bloemen van India groeien en zich vermengen.”[4] Ook bepaalde tekstfragmenten wijzen op een levendige natuur. Wanneer Lakmé haar juwelen afdoet, zingt ze nadien: “Kom, Mallika, de bloeiende lianen werpen reeds hun schaduwen over de heilige beek, die kalm en donker stroomt, tot leven geroepen door het gezang van de onstuimige vogels.”[5]

Het woud is meer dan een naam voor een verzameling planten. Het is een verstrengeling van allerlei soorten en exemplaren, waaronder bomen, lianen, varens en bloemen. Enkele worden concreter benoemd: witte jasmijnen en rozen (“où le blanc jasmin à la rose s’assemble”[6]), blauwe lotussen, doornappels met dubbele witte kelk (datura stramonium), roze acacia’s, gele tulpen … (In het decor schildert Dubosq de planten ook realistisch-herkenbaar.) De oriëntaalse setting is voor een deel idyllisch en paradijselijk. De vegetale pracht doet dromen en laat volop genieten. Bloemen verspreiden wulpse geuren en bossen zingen of laten juist stilte horen.[7] Bomen creëren schaduw, struikgewas zorgt voor schuilplaatsen en het dichte woud biedt beschutting en bescherming. Tegelijkertijd is de schoonheid gevaarlijk, zelfs fataal. Om zich van het leven te beroven kauwt Lakmé op een blad van de giftige datura stramonium. Haar dood betekent het einde van het operaverhaal.

In de installatie Forêt océanique vormt het indrukwekkende decor niet langer een omgeving voor een hoofdzakelijk menselijk gebeuren. (Omdat het decor opgenomen is in de Vlaamse Topstukkenlijst mag het ook niet meer voor een opera- of theatervoorstelling worden gebruikt). Het woud toont zich nog steeds, maar schudt in het narratief van Forêt océanique zijn geschilderde bladeren af: ‘tentoongesteld’ wordt ‘blootgesteld’ – “exposées” –, blootgesteld aan andere elementen binnen een dynamisch ecosysteem. In La vie des plantes. Une métaphysique du mélange (2016) schrijft filosoof Emanuele Coccia over planten: “Aan de wereld die hen omgeeft worden ze onophoudelijk blootgesteld – ze kunnen niet anders. Het leven van de planten is integrale blootstelling, in absolute continuïteit.”[8] Coccia denkt na over wat de wereld is en geeft daarbij een sleutelrol aan planten: zij maken de wereld. Het zijn de planten die aan andere organismen leven geven. Bij fotosynthese wordt zuurstof geproduceerd. Ademen impliceert zo ondergedompeld zijn in een atmosfeer die met een zelfde intensiteit het lichaam binnendringt (wederzijdse vermenging). Het maakt deel uit van de essentie van de wereld die Coccia omschrijft als cosmische fluïditeit. La vie des plantes kan als volgt worden samengevat: “De bottom line van Coccia’s boek is dat de universele vermenging de beste manier is om ons de wereld voor te stellen: die is geen verzameling van nevengeschikte objecten, en evenmin een fusie waarin de autonomie van de afzonderlijke elementen wordt opgeheven, maar wel een gedeelde plek van voortdurende wederkerige immersie. Met andere woorden kent onze wereld geen tussenschotten: alles heeft invloed op alles.”[9] Via een gedachte-experiment vergelijkt Coccia deze beweeglijke wereld met een immense atmosferische zee.

 

Gigantische tentakels

Forêt océanique integreert bewegende beelden en licht in een doordachte opstelling van de decoronderdelen. Zo wordt het landschap een grotachtige wildernis waarin octopussen zwemmen. Hun onverwachte aanwezigheid kan een vrijblijvend spel zijn. Of wordt het een scène in een anderssoortig verhaal? Het is dan misschien het verhaal over een ‘terrapolis’, zoals onder meer Donna Haraway – bioloog, filosoof en wetenschapshistoricus – die beschrijft in Staying with the Trouble. Making Kin in the Chthulucene (2016): “Terrapolis maakt ruimte voor onverwachte metgezellen” en voor “multispecies storytelling”.[10] Haraway verdedigt met ‘oddkin’ het principe van vreemde verwantschappen en samenwerkingen.[11] Het gaat dan om nieuwe vormen van menselijke en niet-menselijke verstrengelingen met chtonische wezens: “Chtonische wezens zijn wezens van de aarde, zowel oude als actuele. Ik stel me chtonische wezens voor met tentakels, voelsprieten, vingers, koorden, zweepstaarten, spinnenpoten en zeer weerbarstig haar. Chtonische wezens ravotten in humus gevormd door vele wezens, maar hebben niets te maken met de naar de hemel starende Homo. Chtonische wezens zijn monsters in de beste zin van het woord; zij demonstreren en voeren de materiële zinvolheid van aardse processen en wezens uit. […] in veelvoudige vormen en namen kronkelen en bloeien zij weelderig in alle luchten, wateren en plaatsen van de aarde.”[12] Naast spinnen en koralen bijvoorbeeld zijn ook octopussen chtonische wezens. Met hun tentakels zijn ze een metafoor voor het tentaculair denken dat Haraway zelf in praktijk brengt.

Het moderne denken over de beheersbaarheid van de natuur heeft plaatsgemaakt voor een visie waarin de mens slechts een klein onderdeel is van een complexe biotoop. Steeds meer aandacht gaat nadrukkelijk naar niet-menselijke entiteiten. Die wezens zijn er altijd geweest, maar komen opnieuw volop in beeld. (Wetenschaps)filosoof Peter Godfrey-Smith sluit zijn boek Other Minds: The Octopus, the Sea, and the Deep Origins of Consciousness (2016) af met de vaststelling: “Wie in zee duikt, duikt in de ontstaansgeschiedenis van ons allemaal.”[13]

 

Paradijs

Het kronkelen van de octopussen zet een meanderen in gang dat een parallel vindt in de complexiteit van het exotische woud. De reflectie van kleuren en vormen en de soepele bewegingen creëren een immersieve omgeving waarin de dingen voortdurend veranderen: een onstabiele wereld die leeft en beweegt, ook in de spiegelende bodem. De vreemde verstrengeling is een droombeeld van een paradijs dat altijd bestaat en zich zelfs letterlijk in het hier en nu ontplooit. De ruimte met zitplaatsen voor het publiek is in 2020 – de Schouwburg bestaat dan 100 jaar – omgebouwd tot een grote balzaal. Tot in 1968 kon men immers van de parterre een balzaal maken door de hele vloer via een vernuftig liftsysteem op dezelfde hoogte te trekken als de theaterbühne vooraan. Nog even blijft de vloer verhoogd (tot de constructie na de zomer wordt afgebroken). Sarah Westphal speelt daarop in. In Forêt océanique strekt het speelveld zich uit tot ver in dedonkere zaal. Of de toeschouwer zich op afstand houdt (het decor van Dubosq is gemaakt om vanop een grote afstand te bekijken) of integendeel het nieuwe hybride landschap nadert, ongevraagd is hij of zij opgenomen in deze beweeglijke wereld. De bezoeker is een van de vele spelers. Het gewijzigde perspectief toont zich zonder barrières: het paradijs ligt voor onze voeten, fragiel maar vol energie. De ongewone scenografie maakt nieuwe scenario’s mogelijk. Ze plaatst het decor van Dubosq in een ander licht. Forêt océanique citeert Forêt asiatique maar herschrijft het scenario ook. Welke verhalen we vertellen om andere verhalen mee te vertellen, is belangrijk. Haraway schrijft: “It matters what matters we use to think other matters with; it matters what stories we tell to tell other stories with; it matters what knots knot knots, what thoughts think thoughts, what descriptions describe descriptions, what ties tie ties. It matters what stories make worlds, what worlds make stories.”[14] Maar het is ook een vraag naar nieuwe denkkaders, waarvan een filosoof (en antropoloog-socioloog) als Bruno Latour verwacht dat ze podia creëren “to multiply the characters that will play parts in the plots to come”.[15]

“[…] we need another frame to situate all the phenomena critical for us – that is, we humans and all the other life forms!”[16]

“As soon as we wish to represent what it could mean for organisms to be entangled with one another, we are at a loss. So today, much as in other earth-shaking periods, we need aesthetics, defined as what renders one sensitive to the existence of other ways of life.”[17]

 

Lut Pil

References
1 Peter Godfrey-Smith, Buitengewoon bewustzijn. De octopus en de evolutie van de intelligentie, Amsterdam, vertaald door Vera Sykora, 2020, p. 231.
2 Bruno Forment, ‘Zwanenzang van een illusie. De historische decors van de Kortrijkse Schouwburg’, in STEPP, 1, 3, 2012: 28.
3 Bruno Forment, Zwanenzang van een illusie. De historische toneeldecors van de Schouwburg Kortrijk, (Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, 80), Kortrijk, 2015: 138.
4 Edmond Gondinet, Ph. Gille (tekst) en Léo Delibes (muziek), Lakmé. Opéra en trois actes, Parijs, 1921 (?): 1: “Un jardin très ombragé où croissent et s’entremêlent toutes les fleurs de l’Inde.”
5 Godinet, Gille en Delibes, 1921 (?): 5: “Viens, Mallika, les lianes en fleurs jettens déjà leur ombre sur le ruisseau sacré qui coule, calme et sombre, éveillé par le chant des oiseaux tapageurs.”
6 Godinet, Gille en Delibes, 1921 (?): 5.
7 Godinet, Gille en Delibes, 1921 (?): 21, 46: “Les bois ont des chansons nouvelles”, “Le grand bois silencieux”.
8 Emanuele Coccia, La vie des plantes. Une métaphysique du mélange, Parijs, 2016: 17: “elles sont, et ne peuvent qu’être, constamment exposées au monde qui les environne. La vie végétale est la vie en tant qu’exposition intégrale, en continuité absolue et en communion globale avec l’environnement.” – Emanuele Coccia, Het leven van de planten. Een metafysica van de vermenging, vertaald door Pieter Boulogne, 2021 (in voorbereiding).
9 https://streventijdschrift.be/het-leven-van-de-planten/
10 Donna Haraway, Staying with the Trouble. Making Kin in the Chthulucene, Durham-Londen, 2016: 10-11.
11 Haraway, 2016: 4.
12 Haraway, 2016: 2.
13 Peter Godfrey-Smith, Buitengewoon bewustzijn. De octopus en de evolutie van de intelligentie, Amsterdam, vertaald door Vera Sykora, 2020: 236.
14 Haraway, 2016: 12.
15 Bruno Latour en Peter Weibel, ‘Seven Objections Against Landing on Earth’, in Bruno Latour en Peter Weibel (eds.), Critical Zones, The Science and Politics of Landing on Earth, Cambridge, 2020: 5.
16 Latour en Weibel, 2020: 2-3.
17 Latour en Weibel, 2020: 8.