On things and thinking:

design and
nature

How shall we interpret and design landscape/nature/world to meet the great challenges posed by climate change?
How will we create new ways of thinking for a sustainable society?

On things and thinking: design and nature provides a platform for polyphony, complementarity and crossover. Scientists, designers, artists, writers and philosophers present stories and future models in which the complexity of landscape/nature/world is (re)discovered.

Hoe zullen we landschap/natuur/wereld denken en vormgeven om tegemoet te komen aan de grote uitdagingen die de klimaatproblematiek stelt?
Hoe creëren we nieuwe denkkaders voor een duurzaam samenleven?

On things and thinking: design and nature biedt ruimte aan meerstemmigheid, complementariteit en crossover. Wetenschappers, ontwerpers, kunstenaars, schrijvers en filosofen brengen verhalen en toekomstmodellen waarin de complexiteit van landschap/natuur/wereld wordt (her)ontdekt.

Woekerende stadsnatuur

28/02/2022

 

In 1981 schreef de Schotse paleontoloog en geoloog Doubal Dixon After Man – A Zoology of the Future.[1] Het was een eerste ‘gids’ in een reeks fictieve scenario’s die Dixon als wetenschapsauteur publiceerde voor het brede publiek. Bijna als een ludiek experiment beeldde hij zich in hoe over 50 miljoen jaar de fauna van de wereld er zou uitzien. In dit speculatieve evolutieverhaal vertrok hij vanuit een situatie die weinig verbeelding vroeg: “Eén tendens kan men wel voorzien en dat is de verwoestende uitwerking die de mens heeft op het evenwicht in de natuur. Ik voelde me gerechtigd om dit tot het uiterste door te voeren: de mens roeit de dieren uit die al bedreigd waren en vernielt op verschrikkelijke wijze de natuurlijke leefgebieden, voordat hij zelf uitsterft. Daarna kan de evolutie weer aan het werk gaan om de schade te herstellen en de gaten die ontstaan zijn op te vullen.”[2] Dixon vatte het op als een beschrijven van de toekomst “door iemand van deze tijd die in een tijdmachine naar een wereld van de toekomst gereisd is en aldaar de fauna bestudeerd heeft”, maar noemde het tegelijkertijd “een speculatie die op feiten steunt”.[3] De ingebeelde fauna is in herkenbare tekeningen gevisualiseerd. Een schildegel waarvan de stekels geëvolueerd zijn tot een pantser van scharnierende platen loopt over een vochtige bosgrond, terwijl een woestijnhaai – de naam alleen al – zich bijna al zwemmend door het zand beweegt. Het zijn slechts twee voorbeelden van Dixons speculatieve fauna van de toekomst.

Welk leven neemt het over wanneer de mens zich terugtrekt? Op verschillende locaties zoeken diverse wetenschappers het uit. Vaak trekt de mens zich slechts tijdelijk terug en houden wetenschappers die deze locaties bestuderen zich ver weg van speculatie of sciencefiction. Ook de tijdsspanne waarin een gebied ongemoeid wordt gelaten is in de meeste gevallen weinig spectaculair: enkele jaren, een aantal decennia, misschien honderd jaar. Zelfs wanneer het over eeuwen gaat, zoals bij het Meerdaalwoud waar ooit nederzettingen van de Gallo-Romeinen waren, is de temporele schaal van een andere orde dan de tijdsspanne die Dixon in zijn scenario schetst.[4]

Biodiversiteit wordt niet enkel in bossen of natuurgebieden bestudeerd; ook stedelijke restgebieden zijn een interessante onderzoekstopic. Deze terreinen zijn in oppervlakte beperkt maar hebben daarom niet minder natuurpotentieel. Aanvankelijk palmde de mens deze gebieden in en definieerde hij een functie in de context van een stedelijke politiek. Nu zijn ze door omstandigheden braakliggende terreinen, tot ze een nieuwe bestemming krijgen. De natuur mag zich de antropogene plekken gedurende enkele decennia toe-eigenen, binnen grenzen (soms letterlijk afsluitingen) die de mens er plaatst. De in economische termen weinig productieve ruderale ruimten krijgen dan de kans om bijna ongestoord te verwilderen tot stukjes stedelijke natuur. De nieuwe mix aan planten die er ontstaat, is nog niet in balans, in tegenstelling tot een natuurlijk biodivers ecosysteem waar het moeilijk is om een nieuwe soort in het evenwicht te integreren. In het stedelijk herontwikkelingsgebied krijgen bepaalde planten kansen die ze elders niet hebben. Ook ongewone insecten vinden er een leefgebied en vormen er een onderdeel van een nieuwe samenleving.

Wetenschappers bestuderen er een situatie die bepaalde kunstenaars graag opzoeken. Op dOCUMENTA (13) in 2012 vormde Untilled van Pierre Huyghe in een uithoek van het Karlsaue-park in Kassel een zone waar fauna en flora hun eigen gang konden gaan en op elkaar konden inspelen. Ook Wild Cube (1991) van Lois Weinberger is een vrijplaats – eerder metaforisch want uiterst beperkt, 102 cm x 100 cm x 100 cm – voor een natuur die voor een korte duur van de mens ‘bevrijd’ is. Het S.M.A.K. dat het werk in zijn collectie heeft, geeft er de volgende uitleg bij: “Met minimale ingrepen creëert Weinberger voorlopige plekken waar hij ruimte laat voor een vrije tussenkomst van de natuur. Zo is ‘Wild Cube’ een stalen constructie die de kunstenaar sinds 1991 al op diverse randplekken in en bij steden installeerde. Elke plant waarvan zaad aanwaait, kan binnen deze constructie spontaan en ongehinderd ontkiemen en groeien, vaak in contrast met de netjes onderhouden, gecultiveerde natuur erbuiten. Weinberger ‘bevrijdt’ stukjes natuur door er – schijnbaar tegenstrijdig – een omheining rond te plaatsen. Erbinnen kunnen onkruid en wilde planten, die geen rekening houden met afbakeningen, hun gang gaan. De wildgroei in Weinbergers ‘Wild Cube’ staat in contrast met tuinieren, waarbij het beheersen en controleren van de natuur centraal staan, en ook met onze strak gereguleerde maatschappij. Het werk is een lofzang op het ongetemde van onkruid, op het alledaagse, op het vreemde, de vrijheid en de pure natuur.”[5] Deze projecten situeren zich in artistieke contexten en blijven vanuit verschillende invalshoeken voor een deel gecontroleerde situaties.

Minder gecontroleerd (maar nog steeds) is de dynamiek in het stedelijke restgebied dat door ecologen wordt bestudeerd. Hun veldonderzoek brengt de biodiversiteit in deze informele groene zone in kaart. Het droog, braakliggend terrein, dat als stortplaats en opslagplaats is gebruikt, toont zich als ruïnes van een recent economisch of industrieel verleden. Het materiaal dat men er heeft gedeponeerd en achtergelaten, verwijst nog naar menselijke activiteiten, naar de mens die voortdurend verovert. Nu herovert de natuur deze plek. Het gebied wordt opnieuw ingenomen: er duiken planten (en bijhorende insecten) op die het snelst ontkiemen en groeien. Bij artificiële gronden is het moeilijk om te spreken van aanwezige zaadbanken. Toch vertonen de bermen en ophogingen, die met restmateriaal artificieel zijn aangelegd, snel spontane plantengroei en worden ze groene heuvels. Ergens onderin bespeurt men nog artefacten, die men kan opgraven als archeologische vondsten. Planten hebben weginfrastructuur grotendeels overgroeid. Het is een wildernis, maar een wildernis met eigen wetmatigheden. Er heerst een nieuwe orde die andere wetten volgt dan die van de menselijke planning. De ecologen onderzoeken de natuurwaarde van het gebied. Hoe herstelt het gerust gelaten gebied zich in het erg versnipperde Vlaamse natuurlandschap en welke biodiversiteitswaarde heeft de zone wanneer de mens er een nieuwe bestemming wil aan geven. (Ook hier werkt een omheining de uitbundigheid van de plantenontwikkeling in de hand, omdat de plantengroei nauwelijks wordt vertrapt.)

Na de eerste plantenpioniers gaat het om een successie van soorten die elkaar verdringen. Het proces is een dynamische evolutie naar een evenwichtige samenleving van soorten. Aanvankelijk halen de opportunisten het, zoals dit ook het geval is wanneer mensen een gebied koloniseren. Het is ieder voor zich, alsof het koopjesdag is: iedereen stormt binnen om te grijpen wat er te grijpen valt, ieder wil zijn deel van de koek. Het geworstel/gevecht voor licht en plaats kan men als een kenmerk van de intelligentie van planten beschouwen: “Zoeken naar licht is de activiteit die de meeste invloed heeft op het leven en het strategische gedrag van elke plant”, schrijven bioloog Stefano Mancuso en wetenshapsjournalist Alessandra Viola in Briljant goen. De intelligentie van planten (2017).[6] Sommige planten zijn heel goede terreinveroveraars. In die strijd interageren planten ook met elkaar, waarbij recentelijk is aangetoond dat bij planten die genetisch verwant zijn ook niet-competitieve activiteit meespeelt. “Deze belangrijke ontdekking weerspreekt de traditionele overtuiging dat planten alleen zouden beschikken over stereotiepe, repetitieve mechanismen (plant in de buurt = territorium verdedigen!). Planten blijken een veel complexere inschatting te maken, waarbij verschillende factoren meetellen, waaronder genetische verwantschap. Kortom, alvorens over te gaan tot de aanval of de verdediging probeert een plant zijn potentiële rivaal te herkennen. Als hij een genetische verwantschap herkent, kiest hij niet voor competitie maar voor samenwerking.”[7]

De strijd voor licht en plaats zou de vegetatie geleidelijk doen evolueren naar een climax: wanneer men in onze streken de natuur haar gang zou laten gaan, eindigt dit (al naar gelang de ondergrond) met typische bossen. Zo’n ‘finaal’ eiken/beukenbos is nu te zien in het Zoniënwoud. In een uitgeëvolueerd ecosysteem heerst een stabiel evenwicht en valt de voortdurende strijd voor licht en plaats minder op. Een gedeelte van het onderzochte restgebied is ondertussen al als bos ingekleurd, ook al is de mix van boomsoorten nog niet die van de ons vertrouwde bossen.

In het opgegeven terrein gonst het van activiteit, activiteit die uitgaat van planten en dieren. Zij hebben hier een podium gekregen en spelen er even zonder menselijke tussenkomst. Het spel wordt door velen gespeeld en bestaat niet uit een optelsom van afzonderlijke soorten. “Het gaat ook om alle epifyten, schimmels, bestuivers en andere symbionten die een soort in de dagelijkse strijd om het bestaan een echte thuis kunnen bieden”.[8] Het gaat ook niet om het herstellen van een vroegere ecologie, maar om andere combinaties van samenleven. Exoten – planten en dieren – die in droge streken goed gedijen, duiken hier op (een vorm van migratie). De hemelboom is zo’n invasieve soort, ingevoerd vanuit China. “De soort is warmte- en lichtminnend en verdraagt goed droogte, vervuiling en verstoorde omstandigheden. In Vlaanderen komt hij hoofdzakelijk voor als pioniersboom in steden waar hij in staat is zich te vestigen in openingen van verhardingen, middenbermen, enz. De boom is eveneens in staat verschillende bostypes te invaderen.”[9] Maar een toevallige inheemse fruitboom vecht evengoed voor zijn bestaan. Waar planten gekiemd hebben kunnen ze enkel het terrein bezetten, geholpen door het licht. Sommige zijn daarin heel eigenzuchtig. Onder de Japanse duizendknoop bijvoorbeeld groeit niets meer. (In het boekproject Not in my backyard! (2021) zoeken fotograaf Kristof Vrancken en grafisch ontwerper Niek Kosten naar nieuwe manieren om met deze invasieve plantensoort samen te leven.[10]) Andere planten zoals berg en wilg zijn guller. Hun bladeren staan vrij los, en in hun schaduw is nog groei van andere soorten mogelijk. Ook daar vecht alles om een plaatsje.

Om er zich als onderzoeker door te begeven is het eveneens knokken. Stappen betekent worstelen en zoeken om er door te komen. Het is vermoeiend en de gulheid van de natuur betekent hier niet bessen plukken of noten rapen maar overweldigd worden door een woekerende natuur die de regie heeft overgenomen. In die regie speelt ook de fauna haar eigen rol. Onvermijdelijk ervaren de wetenschappers dit in hun veldonderzoek, zelfs als ze zich focussen op de flora. In zijn roman The Overstory (2018), in het Nederlands vertaald als Tot in de hemel, wijdt Richard Powers één van zijn verhalen aan een Amerikaanse wetenschapster die bomen bestudeert. Het boek is fictie en vermeldt expliciet dat elke gelijkenis met actuele gebeurtenissen, plaatsen of personen volledig op toeval berust. Toch is de beschrijving van haar werk in het bos herkenbaar. “Het werk is niet bepaald spectaculair. Het is een kwestie van genummerde plastic zakken over de uiteinden van takken vasttapen en die vervolgens met vaste tussenpozen inzamelen. Ze doet dit, zwijgend en sprakeloos, steeds opnieuw, uur na uur, terwijl de wereld om haar heen door moorden, rassenrellen en een oerwoudoorlog in vuur en vlam staat. De hele dag werkt ze in het bos, met overal wriemelende kruipertjes, mijten op haar rug en teken op haar hoofdhuid, met een mond vol bladresten en ogen vol stuifmeel, met spinnenwebben als omslagdoeken rond haar gezicht, gifsumak als armbanden om haar polsen, met knieën gegroefd door lavasteen, haar neus omlijnd door sporen, de achterkant van haar dijen een brailletekst van wespensteken, en haar hart zo uitgelaten als de dag gul is.”[11] Dat dierenleven wordt dan weer door andere wetenschappers bestudeerd, zoals de twee jonge mannen die de Amerikaanse onderzoekster in het verhaal van Powers plots tegenkomt. Als ze hen vraagt wat ze onderzoeken, antwoorden ze: “Schimmels, geleedpotigen, reptielen, amfibieën, kleine zoogdieren, insectenuitwerpselen, webben, dierenholen, aarde… Alles waarop we een dode stam kunnen betrappen.”[12]

Wanneer men het heroverde terrein aanschouwt, ziet men eerst en vooral de flora, omdat de biomassa van planten de biomassa van de fauna veruit overtreft en planten zich niet verplaatsen zoals dieren. (Wat niet wil zeggen dat planten zich niet bewegen. Mancuso en Viola wijzen erop dat het verschil in snelheid tussen mensen en planten ertoe leidt dat we gemakkelijk denken dat planten ‘stilstaan’. Nochtans had Darwin de beweging van planten al waargenomen en kunnen moderne technieken die beweging reconstrueren.[13])  Dieren bewegen zich snel en leiden een meer verborgen leven. Een ree hoor je wegvluchten, een vos merk je hooguit op als dood exemplaar, een loopkever schuilt onder een steen. Vogels en vlinders laten zich gemakkelijker zien. Als veroveraars van de lucht mogen ze opvallen, terwijl schutkleuren de meeste bodembewoners onzichtbaar maken. In de schaduw van al het plantengeweld speelt zich een andere strijd af onder de dieren: alles draait om eten en gegeten worden. Plantenetende insecten volgen hun favoriete plantensoorten. Predatoren volgen hen op de voet.

Het land is ook de habitat van de mens. In die habitat komen we in concurrentie met de allesbepalende groene natuur, een natuur waar we fundamenteel afhankelijk van zijn. “Dankzij fotosynthese produceren planten alle vrije zuurstof die op aarde aanwezig is en alle chemische energie die door de andere levende wezens wordt verbruikt. Wij bestaan dankzij de planten en alleen in hun gezelschap zullen we kunnen blijven bestaan,” schrijft Mancuso.[14] In het verhaal van Powers verwoordt de Amerikaanse onderzoekster het zo: “[…] het wonder van fotosynthese: een staaltje van chemische technologie waar de hele kathedraal van de schepping op rust. Het leven op aarde, met al zijn poeha, is slechts een profiteur van die verbijsterende goocheltruc. Het geheim van het leven: planten voeden zich met licht en lucht en water, en de opgeslagen energie maakt en doet daarna alles wat er is.”[15]

We kunnen ook niet zonder de dierenwereld, waarbij soorten die we weinig plaats of aandacht gunnen zoals insecten van levensbelang zijn. Dave Goulson, hoogleraar biologie, vindt het daarom belangrijk om onze kennis van en respect voor insecten via wetenschapspopulariserende publicaties te vergroten. “Ik wil dat je insecten ziet zoals ik: als mooie, verrassende, soms ongelofelijk vreemde, soms sinistere en verontrustende, maar altijd wonderlijke dieren die onze waardering verdienen. Je zult denk ik versteld staan van sommige van hun eigenaardigheden, levenscycli en gedragingen, waar de fantasie van sciencefictionschrijvers pover bij afsteekt.”[16] Laten we die nu al bestaande vreemdheid ten volle waarderen, zodat we die ook een toekomst geven.

De foto’s zijn genomen in een stedelijk restgebied in ontwikkeling.

 

Lut Pil

References
1 Dougal Dixon, After Man. A Zoology of the Future, London: Harrow House Editions, 1981; in het Nederlands verschenen als Dougal Dixon, Leven na de mens. Gids voor de dierenwereld van de toekomst, Utrecht-Antwerpen: Uitgeverij het Spectrum, 1981.
2 Dougal Dixon, 1981, p. 10.
3 Dougal Dixon, 1981, p. 10.
4 Guido Tack, Paul Van den Bremt en Martin Hermy, Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, 2de druk, Leuven: Davidsfonds, 1993, p. 13-16.
5 ‘S.M.A.K. Collectie. Wild Cube. Lois Weinberger’, https://smak.be/nl/collection/la-collection/5980
6 Stefano Mancuso en Alessandra Viola, Briljant groen. De intelligentie van planten, vertaald door Etta Maris, Amsterdam: 2019 (eerste druk 2017; oorspronkelijke Italiaanse uitgave 2013), pp. 55.
7 Stefano Mancuso en Alessandra Viola, 2019, pp. 98-99.
8 Richard Powers, Tot in de hemel, Amsterdam-Antwerpen: Atlas Contact, 2018, p. 473.
9 Marc Reynders e.a., Technisch vademecum. Beheer van invasieve uitheemse planten, Brussel: Agentschap voor Natuur en Bos, 2014, https://www.natuurenbos.be/sites/default/files/inserted-files/technisch_vademecum_beheer_van_invasieve_uitheemse_planten.pdf, p. 132.
10 Kristof Vrancken en Niek kosten, Not in my Backyard: An (incomplete) visual, physical & societal dissection of the (invasive alien) plant species Japanse knotweed, Brussel: LUCA School of Arts, 2021: “Het boek Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed belicht een aantal experimenten en werkmethodes die verschillende visuele en verbeeldende strategieën hanteren om in verbinding te gaan met de problematiek van invasieve planten en onze natuurlijke habitat als een geheel. Het presenteert een collectie van rizomatische ideeën, invasieve inzichten en artistieke interpretaties, aangepast aan een wereld volop in transformatie. Door te corresponderen en in onderhandeling te gaan over de positie van de plant in onze samenleving kunnen we mogelijks nieuwe manieren vinden van samenleven.”
11 Richard Powers, 2018, p. 156.
12 Richard Powers, 2018, p. 175.
13 Stefano Mancuso en Alessandra Viola, 2019, pp. 45-46.
14 Stefano Mancuso, La nazione delle piante: Bari-Rome: Laterza & Figli Spa, 2019; Nederlandse vertaling De universele rechten van de plant, Amsterdam: Cossee, 2020, p. 9.
15 Richard Powers, 2018, p. 157.
16 Dave Goulson, Stille aarde. Hoe we de insecten van de ondergang kunnen redden, Amsterdam-Antwerpen: Atlas Contact, 2021, pp. 12-13.