On things and thinking:

design and
nature

How shall we interpret and design landscape/nature/world to meet the great challenges posed by climate change?
How will we create new ways of thinking for a sustainable society?

On things and thinking: design and nature provides a platform for polyphony, complementarity and crossover. Scientists, designers, artists, writers and philosophers present stories and future models in which the complexity of landscape/nature/world is (re)discovered.

Hoe zullen we landschap/natuur/wereld denken en vormgeven om tegemoet te komen aan de grote uitdagingen die de klimaatproblematiek stelt?
Hoe creëren we nieuwe denkkaders voor een duurzaam samenleven?

On things and thinking: design and nature biedt ruimte aan meerstemmigheid, complementariteit en crossover. Wetenschappers, ontwerpers, kunstenaars, schrijvers en filosofen brengen verhalen en toekomstmodellen waarin de complexiteit van landschap/natuur/wereld wordt (her)ontdekt.

Proloog op een brief aan Tireragan, land van kwade golven

29/10/2021

audio-opname van de tekst (stem: Miek Zwamborn):

 

Overstroomde bergen vol zweven, drijven, vliegen, duiken, spiralen, voortbewegen, boren en kruipen. Dichtbij de kust ontmoet helder water stengels en strengen; het stroomt het kelpbos binnen. Een zwierige donkergroene rand bakent de zuidkant af. Als het tij daalt, rijst er een knetterend landschap op uit het door de zee gedrapeerde blaaswier. Navelwier spant zich over de rotsen. Net eronder, de getijdenzone bewoond door anemonen, schaalhorens en mosselen. Vogels treden op tegen verdere afbrokkeling van de eens zo hoge bergen. Op veel van de heuveltoppen staan met gras begroeide kegels. De uitstulpsels fungeren als uitkijkpost. Geïnjecteerd door de stikstof van de vogels groeien ze sneller dan het gebergte afvlakt.

Dit land bestaat uit gestolde magma, met veen gevulde valleien waaruit in de luwtes oerbossen ontsproten. Het is een archief van dode en levende soorten, sommige elementen zijn 414 miljoen jaar oud, andere slechts enkele seconden.

We nemen ons voor een brief te schrijven om onszelf te introduceren. We lopen hier vaak, maar weten niet zeker of we al zijn opgemerkt. Individuele herten worden ook niet gezien. Het is de continue aanwezigheid van herten die impact heeft. Roodborstjes achtervolgen tuiniers en in bossen volgen ze wilde zwijnen. Het is het zwijn-acteren dat het roodborstje in de tuinvrouw of -man waardeert. Ze lijken veel op elkaar.

Het schrijven van een brief aan een niet-menselijke entiteit brengt moeilijkheden met zich mee en het schrijven naar een biotoop is nog complexer. Wie aan te spreken? De oudste eik? De glaciale krassen? Het gekrioel onder de mosdeken? Of zullen we sapstroom adresseren in het vertrouwen dat de boodschap wordt doorgegeven. Elke keer dat we door Tireragan ploeteren, duiken er zoveel vragen op die geen van onze veldgidsen kan beantwoorden.

Als wie of wat verhouden we ons tot en schrijven we aan Tireragan?

Paarse pollen. Ze staan als klokhuizen op een rij, hun kronen vormen een bijna gesloten vlak waaronder langzame waterstromen kronkelen. Woelmuizen schieten door tunnels van dood bladmateriaal. Een ondergrondse wereld met een eigen door regenwater veroorzaakt getijverschil. In open stukken vertraagt drassig veenmos de waterstroom. Overblijfselen van een mot tussen glinsterende ranken van rondbladige zonnedauw. Een adder koestert zich in de zon. Het zigzagpatroon is misvormd door iets dat het dier heeft ingeslikt. Wanneer vier enkels naderen, glijdt de slang onhoorbaar weg. Een vermoeide voet roetsjt van een wiebelige pol en zakt diep weg in de zompige massa. Terwijl de andere voet stabiele grond vindt, werkt de verzonken voet zich omhoog. Aangespannen tenen. Kuit en scheenbeen voorkomen dat de laars achterblijft. Het geluid van zuigkracht.

Miezer bepepert takken, regen rolt naar beneden en klampt zich vast aan de toppen van twijgen. In elke druppel bungelt het bos ondersteboven. Te veel water glijdt van stengels en trekt in de bemoste ondergrond die alle bomen lijkt te dragen. Regen verzamelt zich, zoekt fijne groeven, slijpt bestaande kanalen verder uit. Meer water stroomt via paden de helling af. Watervallen meanderen langs de door storm omgewaaide lijsterbes. De kluit brokkelt langzaam af. Het bosoppervlak raakt dooraderd, overal water.

We kunnen hier niet oversteken. De tot rivier uitgegroeide beek strekt zich uit als een rechthoekig volume; oceaan- en veenwater vermengen zich ver voorbij de kustlijn. Golven, bruingekleurd door turf kapseizen in zee. Aan de rand van de klif spreidt een aalscholver zijn vleugels, alsof de zon schijnt.

De hoeveelheid regen overvalt ons. We zoeken naar houvast. Onze benen kalibreren, de een omhoog- de ander naar beneden, kruiselings, achteruit op glijdende grond, terwijl we naar broze takken grijpen. Plots staan we midden in een dicht hazelaarsbos en even lijkt het droog. De vele loten die uit de onderstam komen, zijn bezet met mozaïeken. Script korstmossen hebben hun brailletaal op de gladde bast gegraveerd; we proberen de krabbels te lezen, maar onze vingertoppen begrijpen het niet. Als we terugkijken door het struikgewas, zien we dat we een spoor hebben geploegd. Onze aanwezigheid zal nog dagen naast andere hoefafdrukken staan.

Gekraak. Een haastig wezen voor ons, de beweging van iets zwaars, we zien alleen de bleke kont, nog in zomerkleed, het sprong! we ruiken de geurvlag en volgen onze neus. Daar staat het, roerloos. We kijken elkaar aan; geschrokken, verrast, nieuwsgierig.

Felle kleuren gaan schuil onder mos. Violetrood, okergeel, Perzisch blauw en wit. Geur stijgt op uit orchis, sleutelbloem, paarbladig goudveil, daslook, aardkastanje, kamperfoelie, walstro en parnassia. Ze dagen onze neusgaten uit om de subtiele nuances te onderscheiden en mengen zich met vochtige grond die een donkere zoetheid verspreidt; pril en rot tegelijk. Wanneer de zon na een paar dagen regen verschijnt, duwen met water gevulde ondergrondse torens hun kappen fluks omhoog. Ze staan nooit alleen op, maar vormen duo’s, groepen, cirkels. Ze blijven aanwezig, maar onttrekken zich aan ons zicht. We vullen een hoed vol cantharellen en eten ze met gisteren gevangen makreel en een paar nieuwe aardappelen uit de tuin, terwijl we kibbelen over het hol van de houtsnip waar we de wildcamera installeerden en alleen een nachtelijke dwergmuis vingen, die in de lens keek en knipoogde.

Door in te zoomen op onze satellietkaart met hoge resolutie kun je de typische patronen van voormalige velden onderscheiden. Parallelle lijnen loodrecht op afwateringssloten. Zodra je een zo’n veld ziet, begin je er meer op te merken. Overblijfselen van akkerbouw. Mensen rond open vuren in zwarte huizen. Er waren veel handen nodig om een dak te leggen. De varens, die de bewerkte grond in beslag hebben genomen, waren buigzaam genoeg, maar niet duurzaam. Te weinig handen en dingen vallen uit elkaar. Er leven hier nu geen mensen meer. Binnen de afgeronde, ruïnes ontspringen vingerhoedskruid en vlierbessen uit de gleuven van de droog gestapelde muren. Bij een enkele ruïne zit de latei nog op zijn plaats. Het merendeel is afgebrokkeld en terug in de aarde gezonken. Tussen enkele overgroeide stenen vinden we een mes en een fles, zorgvuldig weggestopt.

Trillende vezelige rand. Geen hellende oever. Het water is zwart en diep. Een bootsmannetje nadert en zwemt onder ons door. Waar we staan is geen grond. Het zwevende veenmosweb is net hecht genoeg om ons gewicht te dragen. De ven is de sluiter van een gigantische waterbel die boven een dramatische roze granieten topografie hangt en op de plaats wordt gehouden door millennia van opgestapeld organisch materiaal. De verkeerde plek voor een groot zoogdier. Dit met water verzadigde land eet vlees. Een schaapskadaver in grazende positie is al half verorberd. Rond elke voetstap vormen zich plassen rood water. De weerstand die we voelen doet ons afvragen of we hier kunnen wonen of dat we eeuwig voorbijgangers blijven.

De roep van de koekoek is alomtegenwoordig. Veldleeuwerikken in de lucht. Wie zijn wij?

We vinden overwoekerde paden gedicteerd door heuvels en moerassen. De dagen en nachten die we in Tireragan hebben doorgebracht, voelen als een inhaalslag; we proberen verhalen terug te vinden, verloren kennis en gewoonten te achterhalen en daar weer vertrouwd mee te raken. Het land hier laat ons doen wat velen voor ons hebben gedaan, maar onze kennis is opgeschoven. We weten meer en minder.

Zittend op een rotspunt prikken kruimels kwarts, veldspaat en mica vermengd met plukjes korstmos door onze broek. We zijn gevlucht voor de muggen in het bos. Ook herten verplaatsen zich naar open plekken om aan muggen te ontsnappen die daarmee het graasgedrag bepalen. Ze vliegen oren, ogen en neusgaten binnen. We houden het niet uit tussen de bomen en vertrekken met onderbelichte film.

 

Rutger Emmelkamp & Miek Zwamborn
Knockvologan, 9 september 2021